OESO: hoger onderwijs draait al op GenAI, beleid en regie blijven achter
De OESO publiceerde deze maand een nieuw Education Spotlight, nummer 23 in de reeks, met als titel "Policies supporting responsible and systematic GenAI adoption in higher education". Het is een synthese van de OECD Digital Education Outlook 2026, actuele enquêtes uit tientallen landen en een expertbijeenkomst die op 6 maart 2026 in Bratislava plaatsvond. De conclusie is helder, generatieve AI is in drie jaar tijd van nieuwigheid naar bijna-standaard gebruik gegaan in het hoger onderwijs, terwijl beleid en beheer bij de meeste instellingen nog moeten beginnen.
Cijfers die de snelheid laten zien
In het Verenigd Koninkrijk steeg het aandeel bachelorstudenten dat GenAI gebruikt van 66% in 2024 naar 92% in 2025 en 95% in 2026. In Duitsland ging het studentgebruik van 63% in 2023 naar boven de 90% in 2025. Gemiddeld in de EU zegt 72% van de studenten GenAI in de afgelopen drie maanden te hebben gebruikt, 53% specifiek voor het formele onderwijs. De verschillen tussen landen zijn groot, in Estland en Slovenië ligt het gebruik rond de 87 tot 89%, in Roemenie en Türkiye rond de 52 tot 53%.
Ongelijk verdeeld en vooral oppervlakkig
Het gebruik is niet gelijk verdeeld. Studenten in bèta, techniek en economie gebruiken GenAI vaker dan studenten in kunst en geesteswetenschappen, in Duitsland 96% tegenover 79%. Er is ook een gender- en sociaaleconomische kloof, mannen en studenten uit hogere sociale klassen gebruiken vaker AI. En de meeste toepassingen blijven aan de oppervlakte hangen, samenvatten, redigeren en vertalen, niet het soort verdiepend gebruik dat leren echt versterkt. Wereldwijd noemt slechts 17% van de docenten zichzelf een gevorderde of expertgebruiker.
De zorgen die telkens terugkomen
Het rapport zet de bekende zorgen op een rij. Gegevensbescherming, omdat instellingen vaak geen zicht hebben op wat studenten en docenten aan commerciële tools toevertrouwen. Academische integriteit, want detectietools blijken onbetrouwbaar. Gelijke kansen, zowel tussen instellingen met en zonder budget als in de vooroordelen die in de modellen zelf verstopt zitten. Hallucinaties, waarbij studenten en docenten moeite hebben te beoordelen wat wel en niet klopt. Cognitieve verschuiving, waarbij routinematig werk uitbesteden aan AI het opbouwen van eigen vaardigheden juist in de weg kan staan. En digitale soevereiniteit, omdat een klein aantal grote aanbieders bepaalt waar de data van studenten en onderzoekers terechtkomen.
Drie redenen waarom de huidige aanpak niet houdbaar is
De OESO noemt drie kenmerken die het huidige model onhoudbaar maken. Ten eerste leunen studenten en docenten vooral op gratis, algemene consumententools, omdat instellingen zelf nog nauwelijks iets aanbieden. In het Verenigd Koninkrijk voorzag in 2026 pas 38% van de instellingen actief in AI-tools voor studenten. Ten tweede ontbreekt op veel plekken formeel beleid, wereldwijd heeft maar 19% van de onderzochte instellingen een AI-beleid en kon bij een steekproef van 163 Britse instellingen minder dan tweederde een openbaar beleidsdocument tonen. Ten derde blijft het gebruik hangen in taken afmaken in plaats van leren, want de tools zijn gebouwd om output te genereren, niet om onderwijskundig te begeleiden.
Wat overheden wereldwijd nu doen
De OESO brengt vijf soorten beleidsreacties in kaart. Landen als Australië, Ierland en de Europese Commissie werken aan concrete richtlijnen voor verantwoord gebruik. Italië sloot als een van de eerste landen een nationale ChatGPT Edu-overeenkomst voor alle aangesloten universiteiten, Frankrijk bundelt via het ILaaS-samenwerkingsverband van twintig instellingen gedeelde reken- en taalmodelcapaciteit, en in Nederland ondersteunt SURF instellingen bij het toetsen van AI-leveranciers op compliance en werkt het aan een veilig alternatief voor publieke chatbots. Daarnaast investeren landen in AI-geletterdheid van docenten, onder meer in Duitsland, Zwitserland en Zuid-Korea, in bewijsvoering via pilots in Australië en Canada, en in de ontwikkeling van onderwijsspecifieke AI-tools zoals Ethel van de ETH Zürich, dat antwoorden baseert op het eigen cursusmateriaal in plaats van op de trainingsdata van een algemeen model.
Waarom dit relevant is voor EduGPT en onze andere GPT producten
Wat de OESO als probleem beschrijft, herkennen wij bij CivAI als precies het gat dat EduGPT probeert te dichten. Instellingen die zelf geen AI-tools aanbieden, zien studenten en docenten uitwijken naar consumentenversies zonder beleid erachter, en verliezen daarmee grip op waar gegevens terechtkomen en hoe AI in het onderwijs wordt ingezet. EduGPT draait op Europese hosting, geeft instellingen eigenaarschap over de data van studenten en docenten, en is vanaf de eerste dag ontworpen als onderwijsspecifiek instrument in plaats van een algemeen taalmodel met een onderwijslaagje erbovenop. Precies de combinatie van beleid, beheer en pedagogisch ontwerp die de OESO zelf als ontbrekende schakel benoemt.
Meer lezen? Het volledige rapport Policies supporting responsible and systematic GenAI adoption in higher education staat gratis online, OESO, Education Spotlights nummer 23, juli 2026, gepubliceerd onder CC BY 4.0. Meer over EduGPT vind je op edugpt.nl.
Beeld ter illustratie, gemaakt met AI